Comment

Is een collectief retentierecht mogelijk?!

Ja! Mits je deugdelijk kunt onderbouwen dat je over de feitelijke macht van de zaak beschikt.

Ik besprak reeds eerder het retentierecht in een blog. Toen betrof het een enkele aannemer die een beroep op een retentierecht deed. Het komt echter wel eens voor dat je om de een of andere reden samen een vuist wilt maken, zoals enkele aannemers in de volgende casus.

Ymere (de opdrachtgever) sluit een overeenkomst van aanneming van werk met een vennootschap (hierna: de vennootschap ). Het werk betrof de renovatie van enkele panden.

Ymere heeft de bouwplaats van het werk aan de vennootschap overgedragen ter uitvoering van het werk. De vennootschap heeft daarop de bouwplaats met afsluitbare hekken omheind en verder ingericht met eigen bouwketen, aansluitingen voor water en elektriciteit, een schaftkeet, toiletvoorzieningen, bouwliften, afvalcontainers etc. Verder heeft de vennootschap borden aangebracht met haar eigen naam erop, met ‘Verboden toegang’ erop en met ‘Melden bij uitvoerder’ erop.

Om het werk te kunnen uitvoeren heeft de vennootschap ook een aantal onderaannemers ingeschakeld.

Op enig moment hebben elf van die onderaannemers eigen hekken geplaatst om de hekken van de vennootschap heen, op hun hekken sloten aangebracht en een beroep gedaan op het retentierecht nu hun facturen nog niet waren voldaan.

Omdat Ymere hier de dupe van is/wordt start zij een kort geding tegen de onderaannemers.

Zij vordert in kort geding dat de onderaannemers worden veroordeeld om de onroerende zaken in de macht van Ymere te brengen op straffe van een dwangsom.

Zoals ik ook in mijn eerdere blog aangaf kan een schuldeiser slechts een retentierecht op een zaak uitoefenen, indien hij de feitelijke macht over die zaak uitoefent. Aan de orde is dus de vraag of voldoende aannemelijk is dat aan de onderaannemers een (collectief) retentierecht toekomt.

De onderaannemers stelden dat zij (collectief) de feitelijke macht over de bouwplaats uitoefenden op grond van onder meer het feit dat zij naast de vennootschap beschikten over een sleutel en omdat de onderaannemers de bouwplaats konden betreden wanneer het hen uitkwam, zonder daarvoor toestemming aan de vennootschap te moeten vragen. Vanwege de vennootschap was bovendien op een gegeven moment vrijwel geen personeel aanwezig en waren het dus de onderaannemers die de feitelijke macht over de bouwplaats hadden.

Naar de mening van de Voorzieningenrechter kan er van een collectief retentierecht sprake zijn, mits dit voldoende gemotiveerd wordt onderbouwd en uiteen is gezet. Dat deden de onderaannemers echter niet.

De voorzieningenrechter overweegt in dit kader:

Gelet op dit een en ander acht de Voorzieningenrechter van minder gewicht dat elke ingeschakelde onderaannemer ook eigen goederen op deellocaties van de bouwplaats aanwezig had voor het onderdeel van het werk waarvoor de desbetreffende onderaannemer was ingeschakeld. Onderaannemers hebben kennelijk nog steeds eigen goederen op de bouwplaats liggen: zij stellen immers dat ontruiming nodig is om de bouwplaats weer af geven. Deze stelling is echter zodanig summier dat de voorzieningenrechter, mede erop gelet dat elk van Onderaannemers voor een zeer specifieke taak was ingeschakeld, niet inziet wat Onderaannemers nu precies stellen onder zich te hebben en weigeren af te geven, afgezien van de bouwplaats als geheel; tekenend in dit verband is dat Onderaannemers zelf concluderen dat zij slechts als collectief de feitelijke macht over de bouwplaats hadden.”

Oftewel, indien de onderaannemers beter hadden onderbouwd waarop door hen precies een retentierecht werd uitgeoefend en dit samen bezien kon worden beschouwd als een zogenaamd collectief retentierecht, dan hadden de aannemers wellicht nog een kans gemaakt. Met overigens de kanttekening dat er nog wel meer hobbels in deze zaak waren te nemen.

Meet weten over het retentierecht?

Michel Visser (visser@fishermanadvocaten.nl)

Comment

Comment

Het retentierecht van de aannemer

Het retentierecht, een effectief middel wanneer je niet wordt betaald of dreigt niet te worden betaald. Een korte uitleg.

Het is inmiddels een bekend gezicht, hekken om een bouwplaats met grote borden met de tekst:
hier oefent …. haar retentierecht uit”. Oftewel, weer een aannemer die niet betaald is.

Wat is het retentierecht eigenlijk?

In het kort gezegd, de bevoegdheid van een schuldeiser om een zaak onder zich te houden, een zaak die toebehoort aan de schuldenaar, zolang de vordering van de schuldeiser niet is voldaan.

Denk niet alleen aan de aannemer die niet is betaald, maar ook aan bijvoorbeeld een verhuurder die nog iets van zijn huurder te vorderen heeft. Ik verhaalde hierover al eerder in een blog.

Vereisten

Wat zijn de vereisten om een rechtgeldig beroep te kunnen doen op het retentierecht? Dat zijn er drie:

(1) er moet (in beginsel) sprake zijn van een opeisbare vordering;

(2) er moet voldoende samenhang zijn tussen de opeisbare vordering en de verplichting van de retentor (lees: de schuldeiser) om de zaak weer in de macht van de schuldenaar te brengen;

(3) de retentor dient de feitelijke macht over de zaak uit te oefenen.

In de praktijk zie je dat het retentierecht vaak in de aannemerij wordt ingezet als pressiemiddel. Met name in deze tijden dat betalingtermijnen fors worden overschreden zie je dat een aannemer naar alle middelen grijpt om zijn rechten zeker te stellen/betaling te verkrijgen.

Maar soms gaat het mis:

Een juridisch mooi voorbeeld is een uitspraak van de rechtbank Overijssel.

Een aannemer had in opdracht van een bouwbedrijf een fundering aangelegd. De factuur werd maar niet betaald. Omdat de factuur niet werd voldaan had de aannemer besloten zijn retentierecht te gaan uitoefenen ten aanzien van enkele zaken op de bouwplaats door de bouwplaats af te zetten met hekken, met daarop de tekst: “hier oefent …haar retentierecht uit”.

Daarbij maakte de aannemer echter een fout. De aannemer had het werk namelijk reeds aan de opdrachtgever opgeleverd en de bouwplaats verlaten. Pas toen de betaling van de factuur uitbleef kwam de aannemer op het idee om terug naar de bouwplaats te gaan om (alsnog) het retentierecht uit te oefenen.

Waarom is het vertrek van de aannemer relevant?

Zoals ik hiervoor reeds aangaf dient de retentor de feitelijke macht over de zaak uit te oefenen. Na de oplevering en het vertrek van de bouwplaats was daarmee niet langer aan dit vereiste voldaan. Het ging dus mis ten aanzien van het vereiste als genoemd onder sub 3.

Het oordeel van de rechter

De voorzieningenrechter is er kort over:

Eén van de vereisten om rechtsgeldig retentierecht te kunnen uitoefenen is, dat de retentor de feitelijke macht over de zaak dient uit te oefenen. In het onderhavige geschil is het weliswaar zo, dat [gedaagde] hekken rond de bouwplaats van [P] heeft geplaatst en aan die hekken borden heeft bevestigd waarop werd meegedeeld dat retentierecht wordt uitgeoefend maar dat heeft zij op 10 april 2013 gedaan, maar de bouwplaats was al eerder door haar verlaten.

Ter zitting is immers door de curator gesteld – en met foto’s onderbouwd – dat de bouwplaats al op 28 maart 2013 was opgeleverd, ontruimd en verlaten. (…) Van het uitoefenen van de feitelijke macht over de bouwplaats van [P] was dan ook geen sprake (meer) en [gedaagde] kon vanaf 28 maart 2013 geen rechtsgeldig retentierecht meer uitoefenen.

Dus: geen rechtgeldig beroep op het retentierecht door de aannemer. De aannemer moest de bouwplaats op straffe van een forse dwangsom verlaten. Al met al zeer sneu voor de aannemer.

Zorgplicht

Let op, met het uitoefenen van het retentierecht trek je ook een zorgplicht naar je toe ten aanzien van de zaak waarvoor een beroep op het retentierecht wordt gedaan.

De retentor moet namelijk zorgdragen voor de zaak ‘op de wijze waarop een zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven omstandigheden zou doen’.

De kosten die door de retentor worden gemaakt voor het betrachten van de zorg leveren overigens een vordering op jegens de schuldenaar waarvoor het retentierecht ook weer kan worden ingeroepen.

Tip voor de (onder)aannemer en de opdrachtgever:

Houd de vinger aan de pols voor wat betreft de betaling van openstaande facturen zodat je tijdig ziet of het nodig is om je retentierecht uit te oefenen. Na de oplevering ben je in principe te laat.

Is een beroep op het retentierecht te laat, dan zijn er overigens nog genoeg andere mogelijkheden om je recht te halen. Het leggen van beslag ten laste van de opdrachtgever is daar een goed voorbeeld van.

Voor de goede lezer is de tip natuurlijk evengoed van toepassing op de opdrachtgever die een dergelijke kwestie aan de hand heeft of krijgt.

Meer weten over het retentierecht, het leggen van beslag of incasso?

Michel Visser (visser@fishermanadvocaten.nl)

 

Comment

Comment

Is het mogelijk een betalingsregeling die wordt nagekomen alsnog eenzijdig te beëindigen?

Het kan, maar wanneer? Onder bepaalde omstandigheden.

Uitgangspunt vormt dat een betalingsregeling – zonder herzieningsclausule – niet eenzijdig door de schuldeiser kan worden opgezegd indien en zolang de debiteur/schuldenaar zich aan die regeling houdt.

Maar

Onder omstandigheden kan worden geoordeeld dat van de schuldeiser in redelijkheid niet kan worden verlangd dat deze met de ongewijzigde betalingsregeling genoegen blijft nemen.

Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien de financiële situatie van de schuldenaar zich sinds de totstandkoming van de betalingsregeling aanzienlijk heeft verbeterd.

De vraag of het een schuldeiser is toegestaan om een getroffen betalingsregeling eenzijdig te doorbreken en zelfs beslag te leggen onder de schuldenaar kwam aan de orde in een uitspraak van het Hof Amsterdam.

Naar het oordeel van het Hof mocht de schuldeiser in het desbetreffende geval aanpassing van de betalingsregeling verlangen.

Partijen hadden destijds de regeling getroffen dat de schuldenaar EUR 50,- per maand zou aflossen op een schuld van EUR 18.000,-. Op het moment van het treffen van de regeling zat er niet meer in het vat.

Het ging de schuldenaar op een gegeven moment echter financieel een stuk beter. De schuldeiser raakte hiervan op de hoogte en vroeg de schuldenaar dan ook om meer te gaan aflossen. De schuldenaar wilde dat – ondanks aandringen – niet.

Het kwam uiteindelijk tot een uitspraak van het Hof, welke uitspraak overigens is toegespitst op een klacht ten aanzien van de deurwaarders die beslag legden ondanks de betalingsregeling. De uitspraak is echter ook zeer relevant voor de vraag of een betalingsregeling eenzijdig mag worden opgezegd.

Het Hof oordeelde:

“Gezien de hoogte van de overeengekomen afbetalingstermijnen enerzijds en de nog verschuldigde hoofdsom anderzijds, was totale aflossing van de schuld niet binnen afzienbare tijd te verwachten. De financiële positie van klager was voorts aanzienlijk verbeterd. Klager heeft ook niet betwist dat hij tot hogere aflossingen in staat was. Dat betekent dat het de gerechtsdeurwaarders niet te verwijten valt dat zij zich namens de schuldeiser tot klager hebben gewend teneinde aanpassing van de betalingsregeling te bewerkstelligen.”(..) De gerechtsdeurwaarders hebben klager erop gewezen dat de schuldeiser tot het leggen van loonbeslag zou overgaan als er geen nieuwe regeling tot stand zou komen. Die regeling is vervolgens niet tot stand gekomen. Daarom waren de gerechtsdeurwaarders gerechtigd hun medewerking aan dat beslag te verlenen. Ook ter zake van dat beslag valt hun dus niets te verwijten.”

Al met al een zeer bruikbare uitspraak voor de rechts-en incassopraktijk waarin een schuldeiser door de financiële omstandigheden van de schuldenaar genoodzaakt is geweest een bepaalde betalingsregeling te treffen waar de schuldeiser later op wenst terug te komen, zonder te beschikken over een herzieningsclausule.

Tip

Loop de door uw bedrijf getroffen betalingsregelingen nog eens na, alsmede de personen met wie die betalingsregelingen zijn getroffen (incluis dus hun financiële positie).

Bekijk ook eens de andere blogs op het gebied van incasso’s en het beslag-en executierecht, enkele voorbeelden: blog 1 (lijfsdwang), blog 2 (niet informeren beslagrechter), blog 3 (retentierecht van de aannemer).

Michel Visser (visser@fishermanadvocaten.nl)

Comment

Comment

Gevolgen van het niet volledig informeren van de beslagrechter

Het beslag-en executierecht een veel gebruikt middel. Het is in Nederland nog steeds relatief eenvoudig om beslag te leggen. Je hebt je wel aan enige formaliteiten te houden, zie onder meer de beslagsyllabus.

Waar je je in ieder geval aan hebt te houden is dat je de rechter volledig en naar waarheid informeert.

Uit artikel 21 Rv volgt dat een partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aanvoert. Doet een partij dat niet, dan kan een rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Het nauwgezet naleven van deze verplichtingen klemt te meer bij het indienen van een verzoekschrift tot beslaglegging. Het leggen van beslag heeft namelijk voor de wederpartij ingrijpende (en voor de beslaglegger vaak nuttige) gevolgen en daarnaast wordt de wederpartij bij een verzoek tot beslaglegging niet gehoord, een zogenaamde beslissing ex parte.

Misleiding van de rechter kan je duur komen te staan, het kan namelijk voldoende zijn om de opheffing van het beslag toe te wijzen. Dan maak je het de wederpartij dus wel heel makkelijk!

Te makkelijk, want een opheffing van een beslag krijg je normaliter niet zomaar (artikel 705 Rv).

Een goed voorbeeld waar de beslaglegger niet volledig was geweest, met de gevolgen van dien, is een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland.

De desbetreffende beslaglegger had ervoor gekozen de rechter niet te informeren over reeds doorlopen gerechtelijke procedures – welke procedures relevant waren voor de tussen partijen bestaande rechtsverhouding – en eerdere beslagen.

Het oordeel van de rechter: opheffen van het beslag.

En dat is jammer. Je weet immers dat dergelijke “vergeten” informatie als eerste naar voren wordt gebracht door een (beetje goede) advocaat. De zweem van misleiding is er dan al. En dan sta je 1-0 achter.

Het had echter goed kunnen zijn dat wanneer de rechter wel volledig was geïnformeerd het beslag niet was opgeheven. Mits de beslaglegger een goed verhaal had.

U begrijpt dat het direct na de opheffing snel opnieuw beslagleggen vaak tot niets zal leiden. De “vluchtige zaken”, zoals geld, zijn dan al verdwenen. Als het overigens al snel kan, de tweede keer dient u namelijk wel volledige openheid van zaken te geven en dan is het maar de vraag of u het verlof om beslag te leggen krijgt.

Heeft u overigens een openstaande vordering en wil het maar niet lukken met de incasso? Beslag leggen kan helpen.

Michel Visser (visser@fishermanadvocaten)

 

Comment

Comment

Let op de belangen van de tweede pandrechthouder bij het uitwinnen van je pandrecht!

Een pandhouder dient bij de uitwinning van een pandrecht rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de tweede pandhouder.

Doet de pandhouder dit niet, dan kan dit een schadevergoedingsactie opleveren.

Zo ook in een casus die speelde bij de rechtbank Oost-Brabant (uitspraak). Daar speelde de vraag of de eerste pandhouder Fortis door haar wijze van uitwinning van een debiteurenportfeuille onrechtmatig jegens de tweede pandhouder had gehandeld.

De tweede pandhouder stelde o.m. dat Fortis er niet alles uit had gehaald (uit de debiteurenportefeuille), terwijl zij dit wel had gekund.

Zo zou Fortis te snel akkoord zijn gegaan met door debiteuren voorgestelde schikkingsbedragen.

De tweede pandhouder bleef daardoor onbetaald en vorderde de schade die zij daardoor had geleden van Fortis.

De rechtbank wijst de vordering van de tweede pandhouder af, omdat deze onvoldoende had onderbouwd dat Fortis het incassotraject niet goed had uitgevoerd.

Deze uitspraak benadrukt maar weer eens dat je je als pandhouder bewust moet zijn van de belangen van derden, meer specifiek de belangen van andere pandhouders.

Daarnaast kan een goed onderbouwd dossier het verschil maken.

Fortis kon hierdoor namelijk aannemelijk maken dat zij bij de uitwinning redelijke besluiten had genomen bij onder meer het accepteren van voorgestelde schikkingsbedragen en daarnaast dat zij de incasso zorgvuldig had uitgevoerd.

Michel Visser (visser@fishermanadvocaten.nl)

Comment

Comment

Is het mogelijk een betalingsregeling die nagekomen wordt alsnog eenzijdig (rechtsgeldig) te beëindigen?

Ja dat kan. Echter enkel onder bepaalde omstandigheden.

Uitgangspunt vormt dat een betalingsregeling – zonder herzieningsclausule – niet eenzijdig door de schuldeiser kan worden opgezegd indien en zolang de debiteur/schuldenaar zich aan die regeling houdt.

Maar:

Onder omstandigheden kan worden geoordeeld dat van de schuldeiser in redelijkheid niet kan worden verlangd dat deze met de ongewijzigde betalingsregeling genoegen blijft nemen.

Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien de financiële situatie van de schuldenaar zich sinds de totstandkoming van de betalingsregeling aanzienlijk heeft verbeterd.

De vraag of het een schuldeiser is toegestaan om een getroffen betalingsregeling eenzijdig te doorbreken en zelfs beslag te leggen onder de schuldenaar kwam aan de orde in een uitspraak van het Hof Amsterdam uit 2013.

Naar het oordeel van het Hof mocht de schuldeiser in het desbetreffende geval aanpassing van de betalingsregeling verlangen.

Partijen hadden destijds de regeling getroffen dat de schuldenaar EUR 50,- per maand zou aflossen op een schuld van EUR 18.000,-. Op het moment van het treffen van de regeling zat er niet meer in het vat.

Het ging de schuldenaar op een gegeven moment echter financieel een stuk beter. De schuldeiser raakte hiervan op de hoogte en vroeg de schuldenaar dan ook om meer te gaan aflossen. De schuldenaar wilde dat – ondanks aandringen – niet.

Het kwam uiteindelijk tot een uitspraak van het Hof, welke uitspraak overigens is toegespitst op een klacht ten aanzien van de deurwaarders die beslag legden ondanks de betalingsregeling. De uitspraak is echter ook zeer relevant voor de vraag of een betalingsregeling eenzijdig mag worden opgezegd.

Het Hof oordeelde:

“Gezien de hoogte van de overeengekomen afbetalingstermijnen enerzijds en de nog verschuldigde hoofdsom anderzijds, was totale aflossing van de schuld niet binnen afzienbare tijd te verwachten. De financiële positie van klager was voorts aanzienlijk verbeterd. Klager heeft ook niet betwist dat hij tot hogere aflossingen in staat was. Dat betekent dat het de gerechtsdeurwaarders niet te verwijten valt dat zij zich namens de schuldeiser tot klager hebben gewend teneinde aanpassing van de betalingsregeling te bewerkstelligen.”(..) De gerechtsdeurwaarders hebben klager erop gewezen dat de schuldeiser tot het leggen van loonbeslag zou overgaan als er geen nieuwe regeling tot stand zou komen. Die regeling is vervolgens niet tot stand gekomen. Daarom waren de gerechtsdeurwaarders gerechtigd hun medewerking aan dat beslag te verlenen. Ook ter zake van dat beslag valt hun dus niets te verwijten.”

Al met al een zeer bruikbare uitspraak voor de rechts-en incassopraktijk waarin een schuldeiser door de financiële omstandigheden van de schuldenaar genoodzaakt is geweest een bepaalde betalingsregeling te treffen waar de schuldeiser later op wenst terug te komen, zonder te beschikken over een herzieningsclausule.

Tip

Loop de door uw bedrijf getroffen betalingsregelingen nog eens na, alsmede de personen met wie die betalingsregelingen zijn getroffen (incluis dus hun financiële positie).

Bekijk ook eens de andere blogs op het gebied van incasso’s en het beslag-en executierecht!

Michel Visser (visser@fishermanadvocaten.nl)

Comment

Comment

Tip: Laat echtgeno(o)t(e) altijd meetekenen voor borgstelling!

Denk je er te zijn met een borgstelling, blijkt de echtgenoot niet te hebben meegetekend. Vernietiging van de borgstelling is vaak het gevolg en weg is de zekerheid.

Dit overkwam ook een partij die meerdere werkzaamheden had uitgevoerd voor in totaal circa EUR 40.000,- (Uitspraak).

De betaling bleef uit en pas toen de opdrachtnemer het faillissement van de opdrachtgever had aangevraagd bond deze laatste in.

De opdrachtgever kwam met de oplossing, hij stelde zich in privé borg, voor zover het alsnog niet tot een betaling kwam. De uitkomst mag zich laten raden, de betaling bleef uit.

De opdrachtnemer deed daarop een beroep op de borgstelling.

De echtgenote van de opdrachtgever zag dit echter anders. Zij vernietigde de overeenkomst van borgtocht namelijk met een beroep op artikel 1:89 lid 1 BW:

Een rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met het vorige artikel heeft verricht, is vernietigbaar; slechts de andere echtgenoot kan een beroep op de vernietigingsgrond doen.

De echtgenote stelde geen toestemming te hebben gegeven voor het aangaan van de borgtochtovereenkomst door de opdrachtgever/haar echtgenoot, terwijl die toestemming wel nodig was op grond van artikel 1:88 lid 1 BW.

Het oordeel

Op grond van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder c BW behoeft een echtgenoot toestemming van de andere echtgenoot voor overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg verbindt.

Voor het aangaan van de overeenkomst van borgstelling, zoals de opdrachtgever die had gesloten, behoefde hij naar de mening van de rechtbank inderdaad de toestemming van zijn echtgenote.

Dit zou slechts anders zijn indien kan worden vastgesteld dat de opdrachtgever de overeenkomst is aangegaan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf.

De rechtbank oordeelde dat van dit laatste geen sprake was en concludeerde dan ook dat de door de opdrachtgever aangegane overeenkomst van borgtocht een rechtshandeling was, waarvoor de echtgenote toestemming had moeten geven. Dat een dergelijke toestemming was gegeven kon de opdrachtnemer niet aantonen.

De vordering van de opdrachtnemer werd (dus) afgewezen.

Eenvoudige, doch belangrijke tip[1]:

Stel een beleid op voor uw bedrijf en uw werknemers dat standaard dient te worden opgevolgd bij het sluiten van overeenkomsten[2], zoals een overeenkomst van borgtocht. Een dergelijk beleid kan veel geld besparen.

Eén van de vragen welke in ieder geval onderdeel van het beleid moet zijn, voor zover van toepassing, is de vraag: ,,Gehuwd? Zo ja, heeft de echtgenoot/echtgenote meegetekend?”

Hulp nodig bij het opstellen van een dergelijk beleid of andere vragen?

Michel Visser (visser@fishermanadvocaten.nl)

[1] Dit geldt natuurlijk niet alleen voor het sluiten van een overeenkomst van borgtocht.

[2] In ieder geval ten aanzien van de rechtshandelingen waarop artikel 1:88 BW ziet.

Comment

Comment

Schuldenaar wil niet over vermogenspositie verklaren! Lijfsdwang toegestaan?

Voor het wat hardere werk.

 

Op grond van artikel 585 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter op verlangen van een schuldeiser de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaan van vonnissen, voor zover deze een veroordeling tot iets anders dan het betalen van geld inhouden.

Dat laatste is in de hierna te behandelen uitspraak het geval. Het ging daar om het verschaffen van informatie over voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen.

Let wel, een rechter geeft niet zomaar een verlof voor het toepassen van lijfsdwang. In artikel 587 Rv is bepaald dat de rechter hiertoe pas over gaat indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel (zoals het leggen van beslagen) onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt. Het betreft dus een laatste middel.

Wat was er aan de hand?

Een partij (hierna: “gedaagde”) is door de rechtbank en ook in hoger beroep veroordeeld tot betaling van ruim € 80.000,- aan zijn schuldeiser (hierna: eiseres). Gedaagde is daarnaast veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom aan eiseres mededeling te doen over zijn vermogenspostitie, oftewel mededeling te doen van al zijn vermogensbestanddelen: alle bankrekeningen, alle roerende-en onroerende zaken en al zijn debiteuren.

Bij het instellen van een dergelijke vordering heeft de schuldeiser een groot belang. In dit soort gevallen wil je als schuldeiser immers “alles” weten, ook om eventueel tot de conclusie te komen dat verder gaan (en daarmee verder kosten maken) geen nut heeft, omdat het ‘een kale kip’ betreft.

Gedaagde betaalt niets en geeft ook geen informatie over zijn vermogen. Eiseres vordert daarom in kort geding veroordeling van gedaagde om die informatie alsnog te geven en – voor zover gedaagde dat niet doet – verlof om gedaagde in gijzeling te doen nemen, hetgeen erop neer komt dat gedaagde in een huis van bewaring wordt opgesloten totdat hij informatie over zijn vermogenspositie geeft.

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie, mede gelet op het feit dat gedaagde weigerachtig blijft informatie over zijn vermogenpositie te verstrekken ondanks daartoe te zijn veroordeeld op verbeurte van een dwangsom en gelegde beslagen daarnaast tot niets hebben geleid, dat lijfsdwang het in dit geval aangewezen middel is.

De voorzieningenrechter wijst de vordering – na een belangenafweging waarvoor ik naar de aangehechte kort geding uitspraak verwijs – toe en bepaalt de termijn gedurende welke gedaagde kan worden vastgezet op 30 dagen.

Meer weten over incasso en/of het beslag-en executierecht?

Michel Visser (visser@fishermanadvocaten.nl)

Comment

Comment

Beslag-en executierecht: Beslagrechter altijd volledig informeren!

Het beslag-en executierecht is een veel gebruikt middel. Het is in Nederland nog steeds relatief eenvoudig om beslag te leggen. Je hebt je wel aan enige formaliteiten te houden, zie onder meer de beslagsyllabus.

Waar je je in ieder geval aan hebt te houden is dat je de rechter volledig en naar waarheid informeert.

Uit artikel 21 Rv volgt dat een partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aanvoert. Doet een partij dat niet, dan kan een rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Het nauwgezet naleven van deze verplichtingen klemt te meer bij het indienen van een verzoekschrift tot beslaglegging. Het leggen van beslag heeft namelijk voor de wederpartij ingrijpende (en voor de beslaglegger vaak nuttige) gevolgen en daarnaast wordt de wederpartij bij een verzoek tot beslaglegging niet gehoord, een zogenaamde beslissing ex parte.

Misleiding van de rechter kan je duur komen te staan, het kan namelijk voldoende zijn om de opheffing van het beslag toe te wijzen. Dan maak je het de wederpartij dus wel heel makkelijk!

Te makkelijk, want een opheffing van een beslag krijg je normaliter niet zomaar (artikel 705 Rv).

Een goed voorbeeld waar de beslaglegger niet volledig was geweest, met de gevolgen van dien, is een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland uit 2013.

De desbetreffende beslaglegger had ervoor gekozen de rechter niet te informeren over reeds doorlopen gerechtelijke procedures – welke procedures relevant waren voor de tussen partijen bestaande rechtsverhouding – en eerdere beslagen.

Het oordeel van de rechter: opheffen van het beslag.

En dat is jammer. Je weet immers dat dergelijke “vergeten” informatie als eerste naar voren wordt gebracht door een (beetje goede) advocaat. De zweem van misleiding is er dan al. En dan sta je 1-0 achter.

Het had echter goed kunnen zijn dat wanneer de rechter wel volledig was geïnformeerd het beslag niet was opgeheven. Mits de beslaglegger een goed verhaal had.

U begrijpt dat het direct na de opheffing snel opnieuw beslagleggen vaak tot niets zal leiden. De “vluchtige zaken”, zoals geld, zijn dan al verdwenen. Als het overigens al snel kan, de tweede keer dient u namelijk wel volledige openheid van zaken te geven en dan is het maar de vraag of u het verlof om beslag te leggen krijgt.

Heeft u overigens een openstaande vordering en wil het maar niet lukken met de incasso? Beslag leggen kan helpen.

Michel Visser (visser@fishermanadvocaten.nl)

Comment

Comment

Wet normering buitengerechtelijke incassokosten, let op uw algemene voorwaarden!

Op 1 juli 2012 is de nieuwe Wet Incassokosten (WIK) in werking getreden. In deze wet is onder andere bepaald dat de buitengerechtelijke incassokosten als een vastgesteld percentage van het verschuldigde bedrag worden berekend.

Iedere ondernemer moet zich aan deze regelgeving houden, tenzij u als business-to-business ondernemer andere voorwaarden rondom de incasso heeft vastgelegd in uw algemene voorwaarden en u deze algemene voorwaarden aan de andere contractspartij ter hand heeft gesteld (dat is een voorwaarde om de algemene voorwaarden van toepassing te laten zijn).

In deze algemene voorwaarden kunt u onder andere de incassokosten en rentekosten omschrijven.

Is hierover niets in de algemene voorwaarden opgenomen, dan geldt de WIK.

Het is dus van groot belang om uw algemene voorwaarden goed op orde te hebben. Het kan geen kwaad deze nog eens op dit soort punten te laten nalopen.

Voor wie geldt de WIK?

De WIK geldt voor alle ondernemers. Als u zaken doet met particuliere klanten is deze wet bindend.

Met zakelijke klanten kunt u andere afspraken maken, daar gebruikt u bijvoorbeeld dan weer de algemene voorwaarden voor (zie hiervoor).

De WIK is ingevoerd om de consument te beschermen tegen onredelijk hoge incassokosten of verhogingen door middel van het rekenen van administratiekosten, dossierkosten, herinneringskosten, regelingskosten, enz.

Wanneer er met uw zakelijke klant geen andere afspraken gemaakt zijn, zullen de percentages worden gebruikt die ook op particulieren (lees: de WIK en zie verder de staffel in het onderstaande) van toepassing zijn.

Wat zijn precies de veranderingen door WIK?

U als ondernemer (voor zover u met particulieren zaken doet) kan zelf niet langer de hoogte van de incassokosten bepalen.

In de WIK is namelijk vastgelegd wat de minimale en maximale incassokosten zijn die een schuldeiser mag factureren bij rekeningen tot € 25.000,-.

Daarnaast omschrijft de WIK het incassotraject.

Na het overschrijden van de betalingstermijn dient u een schriftelijke aanmaning, de “14-dagen brief” te versturen waarin u de schuldenaar nogmaals in de gelegenheid stelt om binnen 14 dagen de vordering te voldoen.

Als de openstaande factuur niet binnen deze 14 dagen wordt betaald, mag u de factuur verhogen met incassokosten (Let op (!): U moet in de 14-dagen brief dan wel de hoogte van de kosten hebben genoemd).

Hoe ziet de incassoprocedure er dan uit?

1. Versturen factuur;

2. In gebreke stellen bij overtreding van de oorspronkelijke betalingstermijn;

3. Verzenden van de 14-dagen brief;

4. Aanmaning/brief versturen en incassokosten in rekening brengen en/of dagvaarden.

Hoeveel incassokosten mag je in rekening brengen?

Hoofdsom 

 Incassokosten

Over de eerste € 2.500,00:

 15% ( min. € 40,00)

Over de volgende € 2.500,00:

 10%

Over de volgende € 5.000,00:

 5%

Over de volgende € 190.000,00:

 1%

Alles boven de € 200.000,00:

 0,5% ( max. € 6.775,00)

Mag een schuldeiser afwijken van de WIK?

Ten aanzien van particulieren? Nee.

Ten aanzien van business to business? Ja, een en ander onder de voorwaarde dat dit tussen partijen is overeengekomen middels bijvoorbeeld de algemene voorwaarden of een andere (eerdere) overeenkomst tussen partijen.

Conclusie

Heeft u een vordering? Let er dan op, voor zover u aanspraak wil maken op de incassokosten, dat u zich houdt aan de vereisten als genoemd in de WIK.

Daarnaast: laat uw algemene voorwaarden eens checken. Daar kunt u nog het nodige mee “verdienen”.

Vragen?

Michel Visser (visser@fishermanadvocaten.nl)

Comment

Comment

Incasso: een vonnis is 20 jaar geldig! Maak daar gebruik van.

Zeker bij incasso’s is een vonnis een bruikbaar middel om druk te zetten bij een schuldenaar. Je kunt er immers van alles mee, (executoriaal) beslag leggen etc.

Vele schuldeisers ‘halen’ geen vonnis, omdat een schuldenaar toch niets heeft.

Maar wat als de schuldenaar op een gegeven moment weer wat beter financieel bemiddeld is, wat dan?

Een vonnis is 20 jaar geldig, terwijl de meeste vorderingen al na 5 jaar verjaren. Heeft u deze verjaring(en) niet gestuit, dan heeft u (ook op dat latere moment dus) niets. Een vonnis kunt u echter gedurende 20 jaar ten uitvoer leggen.

Of zoals artikel 3:324 lid 1 BW luidt:

De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak verjaart door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die van de uitspraak, of, indien voor tenuitvoerlegging daarvan vereisten zijn gesteld waarvan de vervulling niet afhankelijk is van de wil van degene die de uitspraak heeft verkregen, na de aanvang van de dag, volgende op die waarop deze vereisten zijn vervuld.”

Let wel

Ingevolge lid 3 van voornoemd artikel geldt:

De verjaringstermijn bedraagt vijf jaren voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald.”

Betaling van rente valt hier (in beginsel) ook onder, alhoewel het dus wel is opgenomen in het vonnis. Ten aanzien hiervan geldt dus wel dat je op tijd de verjaring moet stuiten.

Drempel

Belangrijke drempel voor de meesten is de kosten die moeten worden gemaakt om een vonnis te halen. Je kan daar natuurlijk ook een prijsafspraak over maken.

Laat die schuldenaar niet te gemakkelijk gaan en laat de kosten (dus) niet per se een drempel zijn!

Meer weten? Mail of bel dan.

Michel Visser (visser@fishermanadvocaten.nl)

Comment